De geschiedenis van Amsterdam

 

De bewoningsgeschiedenis van Amsterdam begint ruim 4600 jaar geleden aan het eind van de Nieuwe Steentijd. Opgravingen uit de periode 2005-2009 onder Damrak en Rokin brachten gebruiksvoorwerpen en botten van gebruiksdieren uit die periode aan het licht.[5]
Omstreeks het jaar 1000 werd het moerassige gebied, toen Aemestelle genoemd, vanuit de Utrechtse regio ontgonnen. Vanaf verschillende bestaande veenstromen werden aan weerszijden afwateringssloten gegraven en ontstond een boerengemeenschap van landontginners, zoals ook elders in het veengebied tussen het Gooi en de Hollandse duinen. Toen het veen als gevolg van ontwatering begon in te klinken moesten dijken worden aangelegd om het inmiddels lager gelegen land tegen het water te beschermen.[6]
In de 13e eeuw leidde dit tot aanleg van dijken langs de Zuiderzee en het IJ zoals de Spaarndammerdijk en Diemerzeedijk. In de monding van de Amstel werd, vermoedelijk kort na de overstromingen van 1170 en 1173, de dam aangelegd waar Amsterdam zijn naam aan ontleent.[7] Een deel van de Amstel zou gegraven kunnen zijn. Het deel van de rivier buitengaats, het Damrak, was het begin van de Amsterdamse haven. De rivier aan de andere kant van de Dam werd, deels drooggelegd, het Rokin. Begin 20e eeuw zijn restanten van die dam aangetroffen op de plek tussen het Nationaal Monument en het gebouw van De Bijenkorf.

De Oude Kerk is het oudste nog bestaande gebouw van de stad

De oudste vermelding van Amsterdam is in een document van 27 oktober 1275, waarin graaf Floris V de bewoners tolvrijheid verleent. Over de precieze datum waarop Amsterdam stadsrechten verkreeg is onzekerheid. Een van de mogelijkheden is dat de Utrechtse bisschop Guy van Avesnes de plaats in 1300-1301 stadsrechten heeft verleend, dit omdat hij in een handvest uit die tijd spreekt over 'onsen poiteren van Aemstelredamme' (Onze poorters van Amsterdam). Hij noemt de burgers expliciet 'poorters', hetgeen erop wijst dat er stadsrechten waren vergeven. Doch over het exacte tijdstip van de toekenning is weinig meer te zeggen dan dat het tijdstip rond of kort na 1300 ligt.[8] In 1342 kreeg Amsterdam een nieuw stadsrecht van de Hollandse graaf Willem IV.[9]
Spoedig daarna volgde de tol op bier. De contacten rond de bierhandel met Hamburg waren de springplank voor de Oostzeehandel en het begin van Amsterdam als handelsstad. In de 15e eeuw was Amsterdam gegroeid tot de belangrijkste handelsstad van Holland. Bij uitbreiding van de stad werden ringvormige grachten gegraven, ter verdediging en voor de waterhuishouding. De huizen werden op een fundering van lange houten palen gebouwd die op de zandlaag onder de drassige bodemlaag steunden. Het gebruik van hout als bouwmateriaal maakte de stad gedurende de middeleeuwen kwetsbaar voor stadsbranden. In 1421 werd hierdoor een derde en in 1452 zelfs driekwart van de stad verwoest. In 1597 en 1679 vonden in Amsterdam wat kleinere branden plaats.[10]

Amsterdam in 1538

De stad kreeg al snel een traditie van burgerlijk bestuur, met een belangrijke rol voor de vroedschap: een college van vooraanstaande burgers die de meeste bestuurders benoemden.
Het stadsbestuur sloot zich in 1578 aan bij de opstand tegen Spanje (Alteratie), vooral vanwege handelsbelangen. Na de inname van Antwerpen door de Spanjaarden in 1585 kwamen veel Antwerpenaren, met hun handelsnetwerk, naar Amsterdam. Naast vele andere factoren speelden hun komst en die van Portugese Joden een belangrijke rol in wat de Gouden Eeuw van Amsterdam en Holland wordt genoemd.
De bevolking van Amsterdam nam in die periode snel toe door een explosieve toestroom van buitenlanders. Omstreeks 1570 telde Amsterdam minder dan 30.000 inwoners, in 1622 was hun aantal gegroeid tot ruim 100.000. Tegen het einde van de 17e eeuw overschreed het inwonertal de 200.000 en behoorde Amsterdam met Londen, Napels en Parijs tot de grootste steden in Europa. De bevolkingsgroei maakte een grootschalige uitbreiding van de stad noodzakelijk, waaraan de concentrische grachtengordel met zijn koopmanshuizen en pakhuizen te danken is.

"Het IJ voor Amsterdam met het fregat 'De Ploeg' ", schilderij van Ludolf Bakhuizen; omstreeks 1690.

Daarna zwakte de groei van de stad af en omstreeks 1680 kwam een einde aan de bouwactiviteiten. Aan de oostkant van de Amstel was een overvloed aan bouwrijpe grond beschikbaar. Kavels werden uitgegeven aan liefdadigheidsinstellingen en de Plantage werd bestemd als wandelpark. Vanaf halverwege de 18e eeuw daalde het inwoneraantal weer, om circa 1815 een dieptepunt te bereiken met circa 140.000 inwoners. 


 

In de 19e eeuw was er een langzaam herstel en omstreeks 1850 begon Amsterdam zich uit te breiden buiten de 17e-eeuwse Singelgracht. In 1825 kwam met het nieuw-gegraven Noordhollandsch Kanaal de waterverbinding met Den Helder tot stand. In 1839 werd het traject Amsterdam – Haarlem geopend als eerste spoorweg van Nederland. Sinds 1876 is het Noordzeekanaal de rechtstreekse verbinding tussen de Amsterdamse haven en de sluizen bij IJmuiden die toegang geven tot de Noordzee.

Media afspelen
Polygoonjournaal uit 1930 over de geboorte van de 750.000ste Amsterdammer

Plankaart van het Algemeen Uitbreidingsplan uit 1935

Met het aanbreken van de industriële revolutie begon een nieuwe periode van expansie. Vernieuwing van de handel, nieuwe industrie en een bevolkingsexplosie die opgevangen werd in de 19e-eeuwse gordel. De bevolking verdubbelde van circa 250.000 omstreeks 1850 tot 510.000 in 1900.
De sociale misstanden waar de industriële revolutie mee gepaard ging maakten Amsterdam tot een centrum van de Nederlandse sociaaldemocratie en leidden tot grootschalige stadsuitbreidingen (Plan Zuid, Plan West en AUP). Tijdens de Grote Depressie in de jaren dertig werd het Amsterdamse Bos (Boschplan) aangelegd door werklozen. De verlaging van de steunuitkeringen van werklozen in 1934 leidde tot het Jordaanoproer, waarbij vijf doden vielen.
De Tweede Wereldoorlog kostte aan ongeveer 110.000 Amsterdammers het leven. Van de omvangrijke Joodse gemeenschap overleefde het merendeel, ongeveer 75.000 Joden, de bezettingstijd niet. De verzetsbeweging was in Amsterdam omvangrijk, en bracht groepen voort als Vrij Nederland en het kunstenaarsverzet met Gerrit van der Veen. Anne Frank dook in de stad onder en schreef er haar wereldberoemde dagboek. Ook de Hongerwinter eiste, zoals in heel West-Nederland, een hoge tol in de stad. De fysieke oorlogsschade bleef uiteindelijk beperkt in vergelijking met steden als Rotterdam en Den Haag. De meeste schade werd veroorzaakt in 1943 door de geallieerde bombardementen op Amsterdam-Noord, waarbij ruim 200 mensen omkwamen.
Na de oorlog werd het Algemeen Uitbreidingsplan grotendeels uitgevoerd, zo verrezen de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert. Ook Amsterdam-Noord onderging een grote uitbreiding. Ook de bestaande stad werd veranderd: cityvormingsplannen in de jaren zestig en zeventig zorgden onder andere voor de aanleg van een metrolijn en de afbraak van grote delen van de oude Jodenbuurten en nieuwbouw. In 1966 heide burgemeester Ivo Samkalden in de polder Bijlmermeer de eerste paal voor de bouw van 5.000 woningen de grond in.
Ook het maatschappelijke gezicht van de stad veranderde in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren vijftig had een liberale houding van het stadsbestuur een vroege opkomst van homo-uitgaansgelegenheden mogelijk gemaakt, die later gevolgd werd door de maatschappelijke emancipatie van homoseksuelen, waardoor Amsterdam enkele decennia lang als de homohoofdstad van Europa gold. De grote hoeveelheid protesten en sociale bewegingen in de stad zorgde regelmatig voor rellen en opstanden. In het kielzog van de Parijse studenten-opstanden in de jaren zestig, ontstond in Amsterdam de kunstzinnige anarchistische Provobeweging, die tegen de autoriteiten streden met ludieke acties, zoals happenings rond Het Lieverdje (Spui), maar ook met het afsteken van een rookbom tijdens het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus in maart 1966. In juni van datzelfde jaar vond een bouwvakkersopstand plaats. Bij deze zogenoemde Telegraafrellen vielen een dode en tientallen gewonden, waarop de burgemeester en de hoofdcommissaris van politie moesten aftreden. Rellen braken ook uit op 25 augustus 1970 toen het slaapverbod bij het Nationaal Monument op de Dam inging. Drie dagen lang was het onrustig in de stad met her en der opstootjes, gewonden en vernielingen, waarbij een groep mariniers illegaal optrad tegen vooral alternatieve, langharige jongeren. Later zouden de jongeren en hippies niet meer op de Dam maar in het Vondelpark overnachten. Burgers en buurtbewoners kwamen grootschalig in verzet tegen gemeentelijke plannen voor afbraak van de voormalige Jodenbuurten met vervangende nieuwbouw boven de nieuw te bouwen metrolijn. Een grote demonstratie in 1975 mondde uit in de Nieuwmarktrellen

In de jaren zeventig en tachtig kwamen veel, vooral jonge, nieuwe Amsterdammers uit de middenklassen in verzet tegen het grote tekort aan betaalbare woningen, de hoge leegstand, de verwaarlozing van woningblokken en de verpaupering van 19e-eeuwse wijken. Als protest en als praktische oplossing bezetten ze leegstaande panden, knapten ze op en gingen er wonen. Vanaf begin jaren tachtig vonden herhaaldelijk demonstraties plaats en breed verzet tegen ontruimingen. Veel buurtbewoners sympathiseerden met de krakers. In maart 1980 rolden er tanks door de stad om barricaden tegen een ontruiming van panden in de Vondelstraat te slechten. Een andere climax was het Kroningsoproer op 30 april 1980 ("Geen woning, geen kroning")[11] rondom de plechtigheden inzake de inhuldiging van prinses Beatrix tot nieuwe koningin van Nederland in de Nieuwe Kerk op de Dam. Er waren vooral op en rond het Rokin brandende barricades en er werd gevochten tussen de Mobiele Eenheid en demonstranten, waarbij zeker 400 gewonden vielen. Ook in de jaren erna waren er regelmatig krakersrellen, maar wel op kleinere schaal. Vreedzaam was de grote vredesdemonstratie tegen kruisraketten op 21 november 1981 met 400.000 deelnemers. Slachtoffers vielen daarentegen wel bij een brand in Hotel Polen op het Rokin in mei 1977, waarbij 33 doden vielen. Ook het pand van boekhandel De Slegte ernaast ging in vlammen op, waardoor een groot aantal waardevolle antiquarische boeken verloren ging. 


De Zuidas, het nieuwe Amsterdamse zakendistrict


In de jaren zeventig en tachtig werd in de binnenstad begonnen met stadsvernieuwing en trokken zowel gezinnen als bedrijven de binnenstad uit, op zoek naar meer ruimte. De komst van hoogopgeleide en goed verdienende jongeren in hun plaats versterkte het draagvlak voor horeca en allerlei andere dienstverlenende bedrijvigheid. Vanaf 1984 nam het aantal inwoners na twintig jaar weer toe. 

Sinds de jaren 90 zijn ook de randen van de stad omgevormd en uitgebreid. In de Bijlmermeer, berucht geworden als kansarme wijk en als locatie van een vliegtuigramp in 1992, maakten de kenmerkende honingraatflats plaats voor vernieuwing om de woonomgeving te verbeteren. Een andere vernieuwingsoperatie is de omvorming van het Oostelijk Havengebied van vervallen havengebied tot een moderne woonwijk. Tegelijkertijd breidde de stad zich weer naar buiten uit, met bijvoorbeeld de bouw van de nieuwe wijken De Aker en Nieuw Sloten in het zuidwesten van de stad en, recenter, de ontwikkeling van de wijk IJburg op een aantal kunstmatige eilanden in het IJmeer. Met de start van de bouw van het zakendistrict Zuidas heeft de stad ook een begin gemaakt aan een belangrijke economische stadsuitbreiding.